Door onze Editor
Een artiest tekent bij een label, ontvangt een voorschot van dertigduizend euro, neemt een album op en gaat op tournee. De shirts verkopen goed, de zalen zitten vol, maar op de halfjaarlijkse afrekening staat bij merchandise een bedrag dat meteen weer wordt afgeboekt op het openstaande voorschot. Dat is het gevolg van twee afspraken die in veel moderne platencontracten samen voorkomen: de 360-deal, waarin het label meedeelt in meer dan alleen de opnames, en de cross-collateralisatie, waarmee inkomstenstromen op één rekening kunnen worden verrekend. Dit artikel legt uit hoe die twee clausules werken, welke Nederlandse regels er grip op geven en waar u als artiest of manager vóór ondertekening op let.
Zeefdrukraam met een rakel die magenta, gele en blauwe inkt over het gaas trekt, met daaronder een patroon van concentrische groeven
Wat een 360-deal is: het label deelt mee in opnames, optredens, merchandise en sponsoring
In een klassiek platencontract verwerft het label de rechten op de opnames en betaalt het de artiest een royalty over de verkoop en de streams. Een 360-deal breidt dat uit. Het label krijgt daarnaast een aandeel in inkomsten die niets met de opname te maken hebben: gages uit optredens, de opbrengst van merchandise, sponsor- en endorsementcontracten, soms ook een deel van de publishing. De gedachte erachter is dat het label met marketing en tour support de hele carrière opbouwt en daarom ook wil delen in wat die carrière buiten de streams oplevert.
In de praktijk komen twee varianten voor. Bij een passieve 360 regelt de artiest zijn eigen boekingen en merchandise, en betaalt hij het label achteraf een percentage van de netto-opbrengst. Bij een actieve 360 exploiteert het label zelf een stroom, vaak de merchandise: het laat de shirts drukken, verkoopt ze in de webshop en aan de tafel achter in de zaal, en keert de artiest een aandeel uit. Voor de rest van dit verhaal is dat verschil belangrijk, omdat bij de actieve variant het geld van de artiest eerst via de boeken van het label loopt.
Hoe cross-collateralisatie werkt: één voorschot, één rekening, meerdere inkomstenstromen
Een voorschot is in de muziekindustrie meestal recoupable en non-returnable: het label verrekent het met de royalty's die de artiest later verdient, maar vraagt het niet terug als de plaat flopt. Die kwalificatie volgt uit het contract zelf en wordt in Nederland uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf: wat partijen redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten. Cross-collateralisatie bepaalt vervolgens uit welke inkomsten het label mag terugverdienen. Wat precies meetelt, hangt af van de reikwijdte die partijen hebben afgesproken. Een ruime clausule laat het label het albumvoorschot ook verrekenen met royalty's op latere albums en, in een actieve 360, met het merchandise-aandeel van de artiest. Een smalle clausule beperkt de verrekening tot de royalty's op hetzelfde album. Zwijgt het contract, dan beslist de uitleg van het hele contract.
Een rekenvoorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Het gaat uit van een actieve 360 met een ruime verrekeningsclausule. Het label betaalt dertigduizend euro voorschot en brengt twintigduizend euro opnamekosten als verrekenbaar in rekening. Het openstaande saldo is vijftigduizend euro. Na twee jaar heeft de artiest achttienduizend euro aan royalty's verdiend; er staat nog tweeëndertigduizend open. Het merchandise-aandeel van de artiest bedraagt in dezelfde periode veertienduizend euro. Zonder verrekening met merchandise krijgt de artiest die veertienduizend uitbetaald. Met die verrekening verdwijnt dat bedrag in het openstaande saldo, en de artiest ontvangt niets. In de merchandisekolom van de afrekening staat dan een positief bedrag dat nooit op de bankrekening van de artiest aankomt. Hoe zo'n afrekening per track hoort te kloppen, beschreven we eerder in "Achter elke artiestenroyalty hoort een controleerbare trackregel".
Welke wettelijke bescherming geldt voor het opnamedeel: artikel 25b tot en met 25h Auteurswet via artikel 2b Wet op de naburige rechten
Voor het deel van de 360 dat over de opnames gaat, heeft de artiest dwingend recht aan zijn kant. Artikel 2b van de Wet op de naburige rechten verklaart hoofdstuk 1a van de Auteurswet, het auteurscontractenrecht, van overeenkomstige toepassing op de uitvoerende kunstenaar. Volgens artikel 25b lid 1 Auteurswet gaat dat hoofdstuk over een overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheid tot doel heeft. Een platencontract valt daar voor de opnames onder.
Daaruit volgen vier aanspraken die een label niet kan wegcontracteren. Artikel 25c geeft recht op een billijke vergoeding voor de exploitatie. Artikel 25ca verplicht het label de artiest regelmatig te informeren over de exploitatie en de opbrengsten. Artikel 25d geeft recht op een aanvullende billijke vergoeding als de overeengekomen vergoeding, gelet op de wederzijdse prestaties, een onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie, de situatie die we bespraken in "Een hit maakt het oude contract weer onderhandelbaar". Artikel 25f lid 2 maakt een beding vernietigbaar dat voor de maker onredelijk bezwarend is, gelet op onder meer de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming en de wederzijds kenbare belangen. Volgens artikel 25h lid 1 kan de artiest van dit alles geen afstand doen, en lid 2 laat het hoofdstuk ook gelden bij een Engelse of Amerikaanse rechtskeuze wanneer de exploitatie geheel of in overwegende mate in Nederland plaatsvindt.
Voor cross-collateralisatie is artikel 25f het interessantste. Een clausule die het merchandise-aandeel van de artiest opslokt om een opnamevoorschot terug te verdienen, raakt rechtstreeks de vergoeding voor de exploitatie van de opnames. Het is verdedigbaar dat de rechter zo'n beding aan artikel 25f lid 2 toetst, zeker als het in een standaardcontract zat waarover niet werd onderhandeld en het saldo door een lange looptijd en meerdere albums vrijwel onbereikbaar wordt. Gepubliceerde Nederlandse rechtspraak over precies deze constructie is schaars; de uitkomst hangt sterk af van de omstandigheden en de wijze waarop het contract tot stand kwam.
Wanneer live- en merchandise-inkomsten buiten het auteurscontractenrecht vallen en het contract het werk doet
Een zuiver financieel aandeel van het label in gages en merchandise-opbrengst verleent op zichzelf geen exploitatiebevoegdheid op een auteursrecht of naburig recht. Of hoofdstuk 1a Auteurswet ook dit deel van de 360 raakt, hangt daarom af van wat het contract werkelijk regelt. Omvat het ook rechten op beschermd materiaal, zoals merchandise-ontwerpen die de artiest zelf maakt of opnames van concerten, dan is dat deel wel een exploitatieovereenkomst. Artikel 25f lid 1 en 2 geldt volgens artikel 25b lid 2 bovendien voor elke overeenkomst waarin de maker zijn recht geheel of gedeeltelijk overdraagt of een exclusieve licentie verleent, en bedingen die met het opnamedeel samenhangen kunnen in die samenhang worden beoordeeld. Voor een zuiver financieel aandeel in gages en merchandise blijft het algemene contractenrecht: de aanvullende en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in artikel 6:248 BW, de vernietigbaarheid van onredelijk bezwarende algemene voorwaarden in artikel 6:233 onder a BW voor zover het label met een standaardcontract werkt, en misbruik van omstandigheden in artikel 3:44 lid 4 BW. Voor dat laatste zijn jeugd of het ontbreken van een adviseur op zichzelf onvoldoende: er moeten bijzondere omstandigheden zijn die het label kende of moest begrijpen, terwijl het label de ondertekening bevorderde waar het daarvan had moeten afzien. Dat zijn open normen, die in de praktijk minder houvast geven dan de specifieke artikelen voor het opnamedeel.
Bij merchandise speelt daarnaast het beeld van de artiest. Voor een foto van de artiest op een shirt geldt het portretrecht: bij een portret dat zonder opdracht is gemaakt kan de artiest zich op grond van artikel 21 Auteurswet tegen openbaarmaking verzetten als hij daarbij een redelijk belang heeft, bij een opdrachtportret vraagt artikel 20 zijn toestemming. De fotograaf heeft daarnaast auteursrecht op de foto zelf, en een bandnaam of logo kan als merk zijn ingeschreven. Een actieve 360 bevat daarom meestal een licentie op naam, beeltenis en logo. Die licentie heeft een looptijd nodig en een regeling voor de voorraad die na afloop nog in het magazijn ligt. Een tweede praktisch punt is de commissiegrondslag: neemt de manager zijn percentage over de bruto gage, terwijl het label zijn 360-aandeel ook over de bruto gage neemt, dan betaalt de artiest twee keer over hetzelfde geld. De nawerking van managementcommissie na opzegging behandelden we in "Wat uw oud-manager na de opzegging nog verdient".
Zeven clausules in een 360-contract die u vóór ondertekening controleert
- Reikwijdte van de cross-collateralisatie. Staat er dat alle inkomsten onder de overeenkomst met elkaar worden verrekend, of alleen de royalty's van hetzelfde album? Laat merchandise en live uitdrukkelijk uitzonderen.
- Wat verrekenbaar is. Alleen het voorschot, of ook opnamekosten, videoclips, tour support en marketing? Elke post die u als verrekenbaar accepteert, verlengt de weg naar een positief saldo.
- Grondslag van het 360-percentage. Netto of bruto, en na welke kosten: crew, reis, zaalhuur, productiekosten van de shirts.
- Tegenprestatie van het label. Welke diensten levert het label voor het live- en merchandise-aandeel? Een aandeel zonder omschreven tegenprestatie is lastig te verdedigen onder redelijkheid en billijkheid.
- Afrekening en controle. Een aparte afrekening per inkomstenstroom en een auditrecht dat ook de merchandiseboeken dekt. Artikel 25ca Auteurswet geeft een informatierecht over de exploitatie van beschermde prestaties; voor een zuiver financieel aandeel in gages en merchandise moet het controlerecht in het contract staan. Hoe ver u terug kunt controleren, bespreekt Muziek en Recht in zijn stuk over de royalty-audit.
- Einde van het 360-aandeel. Stopt het aandeel in live en merchandise als het contract eindigt, of loopt het door voor albums die onder het contract zijn gemaakt? Een doorlopende aanspraak op tourinkomsten na het einde van de samenwerking is een onderhandelingspunt.
- Faillissement en overdracht. Kan het label de 360-rechten overdragen aan een koper van zijn catalogus, en wat gebeurt er bij faillissement? Zie ons stuk over artikel 37 Faillissementswet.
Een 360-deal kan voor een beginnende artiest de moeite waard zijn: het label investeert breder en neemt meer risico. De prijs daarvan staat in de clausules hierboven, en die prijs is onderhandelbaar zolang er nog niet getekend is. Een label dat merchandise-inkomsten wil verrekenen met een opnamevoorschot, kan daar ook een lagere verrekenbaarheid of een plafond tegenover zetten.
Ligt er een 360-contract of een platencontract met een ruime verrekeningsclausule op tafel? Laat het eerst door de contractscan van MusicaJuridica lopen, die de verrekenings-, voorschot- en afrekeningsbepalingen voor u aanwijst. Gaat het om een kleinere afspraak over één release, dan maakt de platencontract-generator een eerste opzet met heldere afspraken over voorschot en verrekening.
Bronnen
- Auteurswet, artikel 21 (portretrecht) en hoofdstuk 1a, artikelen 25b tot en met 25h (exploitatieovereenkomst)
- Wet op de naburige rechten, artikel 2b (hoofdstuk 1a Auteurswet van overeenkomstige toepassing op de uitvoerende kunstenaar)
- Burgerlijk Wetboek Boek 6, artikelen 6:233 en 6:248 en Boek 3, artikel 3:44
- Richtlijn (EU) 2019/790, artikelen 18 tot en met 20 (passende vergoeding, transparantie, aanpassing van contracten)
- HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)
Wetteksten geraadpleegd op 24 september 2026.
