Een producer verkoopt in 2019 een instrumental aan een label: duizend euro, alle rechten overgedragen, klaar. Zeven jaar later gebruikt een streamingserie de track onder de openingsscène, een danstrend doet de rest, en het nummer haalt in vier maanden meer streams dan het hele oude oeuvre van het label bij elkaar. De producer leest zijn contract terug en ziet wat hij destijds tekende: één vast bedrag, geen royalty, geen aanspraak op wat er daarna nog komt. Veel makers houden het daar op; getekend is getekend. De Auteurswet houdt het daar sinds 2015 uitdrukkelijk niet op.

Wat de bestsellerbepaling regelt
Artikel 25d van de Auteurswet, in de praktijk de bestsellerbepaling, geeft de maker een vorderingsrecht op een aanvullende billijke vergoeding wanneer de overeengekomen vergoeding, gelet op de wederzijdse prestaties, onevenredig blijkt naast de opbrengst van de exploitatie. De titel van dit stuk vraagt om één precisering: artikel 25d schept een geldvordering naast het bestaande contract, en laat de oude afspraak zelf in stand. In de praktijk werkt die vordering als hefboom: een label dat een serieuze 25d-brief ontvangt, rekent liever zelf een nieuw percentage uit dan dat een rechter dat doet.
De bepaling bestaat sinds de Wet auteurscontractenrecht van 2015 en is bij de implementatie van de DSM-richtlijn in 2021 aangescherpt: waar eerst een "ernstige onevenredigheid" nodig was, volstaat nu een onevenredigheid. Die ene geschrapte kwalificatie verlaagt de drempel merkbaar. En de kring van gerechtigden is breder dan componisten en tekstdichters: via artikel 2b van de Wet op de naburige rechten geldt het hele hoofdstuk ook voor uitvoerende kunstenaars. De sessiegitarist die voor een vast bedrag zijn partij afstond, staat hier dus naast de componist.
Wanneer een vergoeding onevenredig wordt
De wet noemt geen percentage en geen bedrag; de rechter weegt de afgesproken vergoeding tegen de werkelijke opbrengst én tegen wat beide partijen hebben ingebracht. Een buy-out van duizend euro voor een track die niets doet, levert doorgaans geen onevenredigheid op. Dezelfde buy-out naast een synclicentie van vijf cijfers en maandenlange streaminginkomsten begint te schuren. Het moment van tekenen is daarbij niet beslissend: de onevenredigheid mag ook later ontstaan, juist door het succes dat niemand zag aankomen. Dat maakt de bepaling geschikt voor precies het scenario waarmee dit stuk opende, de sluimerende catalogustrack die jaren na dato ontploft.
Belangrijk voor de huidige markt is het tweede lid, de ketenbepaling. Catalogi verwisselen tegenwoordig geregeld van eigenaar, en een vordering die alleen tegen de oorspronkelijke wederpartij zou werken, verdampt bij elke verkoop. Artikel 25d lid 2 laat de maker zijn vordering daarom instellen tegen de derde die de rechten inmiddels exploiteert, voor zover de opbrengst bij die derde terechtkomt; voorwaarde is wel dat de onevenredigheid is ontstaan nadat de rechten aan die derde zijn overgedragen of gelicentieerd. Voor het openingsscenario klopt dat precies: de catalogus verhuist eerst, de hit komt daarna. Wie in die situatie hoort dat zijn oude label de catalogus aan een fonds heeft verkocht, houdt zijn aanspraak en krijgt er een nieuw adres bij.
Zonder cijfers geen zaak: de transparantieplicht
Een onevenredigheid moet je kunnen voorrekenen, en daar zat jarenlang het praktische probleem: makers kenden de opbrengst van hun eigen werk niet. Sinds 7 juni 2022 staat daar artikel 25ca van de Auteurswet tegenover. Wie een exploitatiebevoegdheid heeft verleend, hoort in beginsel ten minste eens per jaar actuele, relevante en volledige informatie te krijgen over de exploitatiewijzen, de gegenereerde inkomsten en de verschuldigde vergoeding. De wet kent uitzonderingen: bij een niet-significante bijdrage aan het geheel vervalt de plicht, tenzij de maker de informatie aantoonbaar nodig heeft voor een beroep op de bestsellerbepaling, en bij aantoonbaar onevenredige administratieve lasten wordt de opgave beperkt tot wat redelijkerwijs verwacht mag worden. Loopt de exploitatie via een sublicentienemer die de cijfers heeft, dan kan de maker de informatie ook daar opvragen. Deze transparantieplicht is de bewijsmotor onder de bestsellerbepaling: eerst de jaaropgave, dan de rekensom, dan pas de brief. Hoe zo'n opgave eruit hoort te zien en waar labelafrekeningen in de praktijk haperen, stond eerder op deze site in het stuk over de controleerbare trackregel in de artiestenroyalty.
Er zit een oudere logica achter dan het contractenrecht zelf. Buma/Stemra verdeelt al ruim een eeuw naar werkelijk gebruik, en Sena doet sinds 1993 hetzelfde voor de naburige rechten: wordt een werk vaker gespeeld, dan groeit de uitkering mee, zonder dat iemand een contract hoeft open te breken. Die vergelijking heeft grenzen, want repartitie hangt af van registratie, meetmethoden en repartitieregels, maar de kern staat: beloning volgt er in opzet de exploitatie. Met de artikelen 25ca en 25d heeft de wetgever diezelfde logica het individuele contractenrecht binnengehaald: de vaste afkoopsom is niet langer het einde van het gesprek zodra de exploitatie een andere orde van grootte krijgt.
Twee routes voor een oude deal
De bestsellerbepaling is de route voor de deal die goed loopt maar scheef betaalt. Voor de spiegelsituatie, het contract waaronder niets meer gebeurt, bestaat een andere gereedschapskist: de non-usus-regeling van artikel 25e, die de maker sinds de jongste wetswijziging laat opzeggen, geheel of gedeeltelijk, wanneer het werk niet of niet langer voldoende wordt geëxploiteerd, en daarnaast de gewone opzegging van duurovereenkomsten. Over die laatste route oordeelde de Hoge Raad in 2017 in de zaak Nanada/Golden Earring, over muziekuitgavecontracten uit de jaren zeventig: ook zulke overeenkomsten zijn in beginsel opzegbaar, al kan hun aard meebrengen dat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond nodig is. Wie een oude deal wil aanpakken, kiest dus eerst zijn diagnose: draait het werk en klopt alleen de verdeling niet, dan past artikel 25d; ligt het werk stil, dan liggen 25e en opzegging voor de hand. Voor geschillen over deze artikelen voorziet de wet in artikel 25g bovendien in een aan te wijzen geschillencommissie, als laagdrempeliger forum dan de rechtbank.
Vijf vragen voordat de brief de deur uitgaat
Wie vermoedt dat zijn oude deal inmiddels scheef staat, kan de zaak met vijf vragen op scherp zetten:
- Wat is er destijds precies verleend: een overdracht of een licentie, en voor welke rechten en gebieden?
- Wat was de totale vergoeding, voorschotten en verrekeningen meegeteld?
- Is de jaarlijkse exploitatie-opgave van artikel 25ca al schriftelijk opgevraagd, en zo nee, wanneer gaat dat verzoek eruit?
- Hoe verhoudt de vergoeding zich tot de opbrengst die uit die opgave blijkt, per exploitatievorm bekeken?
- Wie exploiteert het werk nu feitelijk: de oorspronkelijke wederpartij of een koper van de catalogus, waar komt de opbrengst terecht, en ontstond de scheefgroei vóór of ná die overdracht?
De antwoorden bepalen de toon van de brief, het adres waarop hij bezorgd wordt en de kans dat het bij een brief blijft. Wie eerst wil weten wat er destijds eigenlijk is weggetekend, kan het oude contract laten doorlichten met de contractscan; die leest een bestaand label-, publishing- of productiecontract na op overdrachten, vergoedingsclausules en de haakjes waar een 25ca-verzoek en een 25d-vordering aan vastgemaakt kunnen worden.
Het beeld boven dit stuk komt uit de beiaardpraktijk: wanneer een toren muzikaal groter wil klinken dan zijn oude klokkenreeks aankan, hijst men er een zwaardere klok bij. Het auteurscontractenrecht doet sinds 2015 iets vergelijkbaars met contracten: voor de hit die groter werd dan de afspraak ligt er een eigen wettelijke mechaniek klaar, met de jaaropgave als eerste tand. De genoemde wetteksten en de uitspraak zijn geraadpleegd op 10 augustus 2026.
