AI-stemseparatie van oude masters: wie geeft toestemming voor de nieuwe mix?

Door onze Editor

Een label wil een album uit 1974 opnieuw uitbrengen. Van de multitrackbanden is niets over; er is alleen de stereomaster. De technicus haalt die door een scheidingsmodel en heeft een kwartier later vier bestanden op zijn bureaublad: zang, drums, bas, de rest. Daarna volgt een nieuwe mix, iets ruimer, de zang wat verder naar voren. Niemand heeft iets gespeeld en niemand heeft iets bijgeschreven, en toch ligt er een opname die in 1974 niet bestond. Bij een remix die een engineer in opdracht maakt, is de rechtenketen tenminste nog zichtbaar; MusicaJuridica liep die keten na in Wat de remix engineer aanlevert, en welke rechten de release nog mist. Bij een separatie uit het eigen archief lijkt die keten weg te vallen, omdat de rechthebbende met zichzelf lijkt te kunnen volstaan. Dat is precies waar de fouten ontstaan.


Wanneer een nieuwe mix een bewerking wordt: artikel 13 Auteurswet en de muziekschikking

Artikel 13 Auteurswet rekent tot de verveelvoudiging van een werk ook de vertaling, de muziekschikking, de verfilming en in het algemeen iedere gehele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm die niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt. Het woord staat er sinds 1912, en het bepaalt waar de grens ligt.

Die grens loopt niet langs de knop die wordt aangeraakt maar langs wat er met het werk gebeurt. Een technische restauratie die ruis wegneemt, de dynamiek herstelt en de balans binnen de oorspronkelijke verhoudingen bijstelt, laat de compositie zoals zij is. Wordt de vorm anders — partijen weggelaten, secties verplaatst, een arrangement herschikt — dan verandert het werk zelf en komt artikel 13 in beeld. BumaStemra behandelt remixen in de praktijk als bewerkingen en verwijst een verzoek daarover terug naar de rechthebbende zelf, omdat het bewerkingsrecht buiten het gebruikelijke mandaat blijft; de organisatie legt dat uit op haar pagina over bewerkingen, covers en remixen. Voor een heruitgave betekent dat twee gesprekken zodra de mix meer doet dan opschonen: het label regelt de reproductie, en de auteur, zijn uitgever of zijn erven beslissen over de schikking.

Een detail dat in de mailwisseling vaak wegvalt: de separatie zelf is al een verveelvoudiging. De vier stems zijn afgeleide bestanden van de opname en van het werk daarin. Ze verlaten de werkkamer zelden zonder dat iemand ze doorstuurt, bewaart of aan een derde levert, en op dat moment gaat het niet meer over een technische tussenstap. Wat er na het einde van een licentie met zulke afgeleide bestanden gebeurt, beschreef MusicaJuridica eerder in Uw platformlicentie eindigt zodra u uw tracks verwijdert.


Wie de opname mag heruitgeven: het producentenrecht van artikel 6 WNR

De opname zelf is een fonogram. Artikel 6 van de Wet op de naburige rechten geeft de producent van fonogrammen het uitsluitend recht toestemming te verlenen voor het reproduceren van een door hem vervaardigd fonogram, voor het in het verkeer brengen daarvan en voor het openbaar maken ervan. Dat recht komt toe aan de fonogrammenproducent of zijn rechtsopvolger, en dat is iets anders dan de partij die de band in de kluis heeft liggen. Eigendom van de drager, of het bezit van een digitale kopie, levert het producentenrecht niet op; een catalogusovername doet dat wel, mits de rechten daarin daadwerkelijk zijn geleverd.

Artikel 6 WNR dekt alleen de producentenlaag. Daarnaast geeft artikel 2 WNR de uitvoerende kunstenaar zijn eigen exploitatierechten op reproductie, distributie en openbaarmaking van de vastgelegde uitvoering. Die rechten worden in de muziekpraktijk doorgaans aan de producent overgedragen of gelicentieerd, maar dat is een feitelijke vraag per opname en niet iets wat uit het producentenrecht volgt. Wie de heruitgave voorbereidt, kijkt dus eerst na of die overdracht of licentie er ligt en wat zij dekt. Zo staan er drie lagen naast elkaar: het producentenrecht op de opname, de rechten van de uitvoerenden op hun uitvoering, en het auteursrecht op de compositie bij de auteur of de uitgever, geraakt door één handeling. Een catalogus die in de jaren tachtig is opgekocht, brengt vaak alleen de eerste laag mee.


Artikel 25 Auteurswet en artikel 5 WNR blijven bij componist en muzikant, ook na de overdracht

Artikel 25 lid 1 Auteurswet geeft de maker rechten die hij houdt, zoals de wet het formuleert, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen: naamsvermelding, verzet tegen wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, verzet tegen elke andere wijziging in het werk tenzij verzet in strijd met de redelijkheid zou zijn, en verzet tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting die nadeel kan toebrengen aan zijn eer, zijn naam of zijn waarde als maker. Lid 2 bepaalt dat die rechten na zijn overlijden toekomen aan de persoon die hij bij uiterste wilsbeschikking heeft aangewezen, en bij gebreke daarvan aan zijn nabestaanden. Voor een opname uit 1974 is dat de gebruikelijke situatie: er is geen aanwijzing, dus het gesprek gaat met de nabestaanden.

Artikel 5 lid 1 WNR geeft de uitvoerende kunstenaar dezelfde reeks voor zijn uitvoering. De drummer die in 1974 drie dagen in de studio stond, kan zich dus verzetten tegen een wijziging in die uitvoering, ook al heeft hij zijn rechten lang geleden aan het label overgedragen.

Afstand doen kan bij beide artikelen maar tot op zekere hoogte. Artikel 25 lid 3 Auteurswet laat afstand toe van het recht op naamsvermelding, en van de rechten onder b en c voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming daarvan betreft. Het verzet tegen misvorming, verminking of aantasting staat niet in die opsomming en blijft dus buiten het bereik van een afstandsclausule. Artikel 5 WNR is op dit punt op dezelfde manier gebouwd. Dat is de grens die een heruitgave-addendum niet kan wegschrijven, hoe ruim de formulering ook is. Of een nieuwe mix over die grens gaat, hangt af van wat er gebeurt: stillere ruis en een bijgewerkte balans liggen ver van aantasting af, een herverdeelde bezetting die de uitvoering hoorbaar anders laat klinken staat er dichter bij.


Wat het model toevoegt, levert geen uitvoerdersrecht op, en dat werkt anders dan het lijkt

Interessanter is wat er gebeurt als de separatie iets oplevert dat te dun klinkt en de technicus erbij zet wat ontbreekt: een strijkerslaag, een tweede stem, een ingevulde gitaarpartij. Voor dat deel heeft niemand iets uitgevoerd. De WNR knoopt het recht van de uitvoerende kunstenaar aan zijn uitvoering, dus op een partij die uit een model komt ontstaat geen uitvoerdersrecht. Er komt langs die weg geen nieuwe rechthebbende bij.

Daarmee is die laag niet rechtenvrij. Het producentenrecht van artikel 6 WNR hangt aan het fonogram waarin de geluiden zijn vastgelegd, en dat recht raakt de toevoeging wel. En de billijke vergoeding van artikel 7 WNR heeft een beperkt bereik: zij geldt voor het uitzenden en bepaalde vormen van openbaar maken van een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram, en lid 1 zondert het beschikbaar stellen voor het publiek op aanvraag daarvan uitdrukkelijk uit. Radio, televisie, kabel en muziek in publieke ruimtes vallen er dus onder; on-demand streaming van de heruitgave loopt langs de licenties van de rechthebbenden zelf. Waar artikel 7 wél geldt, wordt de vergoeding op fonogramniveau vastgesteld en volgens lid 4 gelijkelijk verdeeld tussen de uitvoerende kunstenaars en de producent of hun rechtverkrijgenden; afzonderlijke lagen binnen één opname tellen daarin niet als eigen eenheden mee. Wie hoopt de uitvoerdershelft te verkleinen door meer werk aan een model over te laten, verschuift dus niets aan die verdeling. De MusicaJuridica-post van 27 augustus, De helft van de Sena-vergoeding hangt aan een uitvoerende kunstenaar, keek naar diezelfde leegte vanuit een nieuwe productie; bij een heruitgave ontstaat zij midden in bestaand repertoire.

Auteursrechtelijk blijft de toevoeging een wijziging in het werk van de componist, en feitelijk een wijziging in de uitvoering van de musici die er wel stonden. Voor de sessiemuzikanten van 1974 lopen daarom twee routes naast elkaar: het verzetsrecht van artikel 5 WNR, voor zover daarvan niet schriftelijk afstand is gedaan, met daarbinnen het aantastingsrecht dat sowieso buiten een afstandsclausule blijft, en wat hun oorspronkelijke overeenkomst hun aan aanspraken geeft.


Wat de akte uit 1974 dekt: artikel 2 lid 3 Auteurswet, artikel 9 lid 3 WNR en de maatstaf van Haviltex

Dan het contract zelf. De wet leest een overdracht vandaag terughoudend. Artikel 2 lid 3 Auteurswet bepaalt dat een overdracht of exclusieve licentie door de maker alleen die bevoegdheden omvat die uitdrukkelijk in de overeenkomst staan vermeld of die uit de aard en de strekking ervan noodzakelijkerwijs voortvloeien. Artikel 9 lid 3 WNR zegt hetzelfde voor de uitvoerende kunstenaar, en artikel 2b WNR verklaart daarnaast hoofdstuk Ia van de Auteurswet — de exploitatieovereenkomst van de artikelen 25b tot en met 25h — van overeenkomstige toepassing op hem.

Op een akte uit 1974 werkt die regel niet zonder meer door; welk regime een oude overeenkomst beheerst, is een kwestie van overgangsrecht en van de vraag hoe de verhouding sindsdien is voortgezet. De hoofdweg blijft daarom de gewone uitleg van de overeenkomst volgens HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex): het komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Wat er in 1974 technisch mogelijk was, is één van die omstandigheden, naast de aard van de deal, de branchegebruiken van toen, de onderhandelingspositie van de artiest en de manier waarop partijen zich daarna hebben gedragen.

Er speelt bij oude catalogi nog iets dat structureel over het hoofd wordt gezien. De Wet op de naburige rechten trad pas op 1 juli 1993 in werking. Een contract uit 1974 sprak dus niet over naburige rechten die er toen nog niet waren. Of de gebruikte overdrachtsformule die later ontstane rechten meeneemt, hangt af van hoe ruim zij is geschreven en van dezelfde uitlegmaatstaf. Het nalezen van de oorspronkelijke akte is daarmee geen formaliteit maar de eerste stap.


Acht vragen voordat de stems het archief verlaten

  1. Wie houdt het auteursrecht op de compositie, en is dat een uitgever of zijn het de nabestaanden? Dat bepaalt wie over een schikking beslist.
  2. Is uw partij fonogrammenproducent of rechtsopvolger daarvan, of alleen houder van een band en een bestand? Bezit van de drager is het producentenrecht niet.
  3. Zijn de rechten van de uitvoerende kunstenaars uit artikel 2 WNR daadwerkelijk overgedragen of gelicentieerd, en waaruit blijkt dat? Artikel 6 WNR dekt alleen de producentenlaag.
  4. Blijft de ingreep binnen restauratie en balans, of verandert de vorm van het werk? Dat is de scheidslijn waarlangs artikel 13 Auteurswet in beeld komt.
  5. Welke handelingen noemt de oorspronkelijke akte, en staan daar woorden die bewerking of wijziging dekken?
  6. Is de akte van voor 1 juli 1993, en hoe ruim is de overdrachtsformule geschreven?
  7. Komt er materiaal bij dat niemand heeft gespeeld, en staat dat op de hoes vermeld?
  8. Wie krijgt in welke rol credit op de heruitgave, en is de oorspronkelijke master bewaard zoals hij was?

Die laatste vraag is de goedkoopste verzekering van de hele operatie. Een onbewerkte kopie van de master, met datum, naast het nieuwe bestand bewaard, maakt elk later gesprek over aantasting een vergelijking in plaats van een reconstructie.

Ligt er een oude licentie of heruitgavebrief in de kast waarvan u niet zeker weet of die een nieuwe mix dekt, dan is de contractscan van MusicaJuridica de snelste manier om daar antwoord op te krijgen; die leest juist de formules over bewerking, wijziging, credit en overdracht na. Maakt u daarna nieuwe afspraken over bestaand repertoire, dan helpen de platencontract-generator en de producercontract-generator om de clausule over restauratie, separatie en archivering er deze keer wél in te zetten.